Antwerpse Baardkriel

 

Herkomst 
De Antwerpse Baardkriel is  ontstaan in Vlaanderen in de eerste helft van de negentiende eeuw. 

Korte geschiedenis van het ras
De Antwerpse baardkriel is een van de oudste oorspronkelijke krielrassen. Dit betekent dat er geen grote variant van het ras bestaat en het ras dus geen verdwerging is. Het ras heeft zijn naam waarschijnlijk te danken aan het feit dat de serieuze fok van deze kleine baardkriel zich concentreerde rond Antwerpen. In 1904 schreef de Belgische baardkrielenfokker Robert Pauwels dat in zijn fokkerij van Antwerpse baardkrielen spontaan een staartloze variant geboren was. Hij vernoemde deze spontane mutatie naar de plaats van herkomst:Grubbe. Deze Grubbe baardkriel verschilt maar in een onderdeel van de Antwerpse baardkriel: het subras mist de staart.

Algemene Indruk en Eigenschappen
De Antwerpse Baardkriel is een kleine, sierlijke en fiere kip met opgerichte kiel. En is gedrongen van bouw. Hij heeft een van terzijde gezien asymmetrisch type, waarbij de voorste lichaamshelft overheerst. Ook bezit hij een volle driedelige baard, een zeer volle halsbevedering en een kleine rozenkam. De haan draagt de vleugels zeer laag en de staart zeer hoog. De beenstelling is tamelijk laag.
Hij is levendig, alert en tamelijk vertrouwelijk van aard. Zeer goed te houden in een beperkte ruimte. De leg is goed en de witte tot crèmekleurige eitjes wegen ongeveer 35 tot 40 gram. De hennetjes zijn goede broedsters en kloeken. 

Vormbeschrijving haan
De romp is kort gedrongen en breed, naar achteren smaller wordend. Achterdeel is diep en goed gerond. Houding opgericht en iets naar achteren hellend, fier, levendig en zeer sierlijk van vorm.
De kop is relatief groot, breed en kort.
De kam is tamelijk kleine rozenkam, breed vooraan met gebogen bovenvlak, voorzien van kleine puntjes. De kamdoorn is tamelijk kort, rond en volgt de ronding van de kop. Fijn van weefsel en felrood van kleur (bij de haan).
De snavel is kort, licht gebogen. De kleur van de snavel is afhankelijk van de kleurslag.
De kinlellen zijn er bij voorkeur niet, indien ze aanwezig zijn, dan graag zo klein mogelijk en volledig bedekt door de baard.
De oorlellen zijn klein, rood en bedekt door de bakkebaarden.
Het gezicht wordt verborgen onder de bakkebaarden echter zonder dat het zicht belemmerd wordt. Het is levendig rood en fijn van structuur.
De ogen zijn groot, levendig van uitdrukking en rond. De kleur is afhankelijk van de kleurslag.
De hals is kort en sterk naar achteren gebogen.
De baard is zeer sterk ontwikkeld, samengesteld uit horizontaal naar achteren groeiende veren langs weerszijden van de snavel (bakkebaarden) en in het midden onder de snavel recht omlaag groeiende veren (keelbaard), die samen een duidelijk driedelige baard vormen.
De rug is zeer kort en breed tussen de schouders, afhellend naar achter. Het zadel vrij breed.
De borst is zeer breed, goed gerond, goed naar voor en hoog gedragen.
De vleugels zijn middellang, aan de uiteinden iets naar binnen gebogen en bijna verticaal gedragen, zodat de vleugeluiteinden bijna de grond raken.
De staart is zeer hoog, bijna verticaal gedragen, de nauwelijks middellange stuurveren zijn iets gespreid maar dekken elkaar goed af. De bijsikkels zijn matig ontwikkeld en bedekken de stuurveren niet. De grote sikkels zijn weinig gebogen, smal, sabelvormig en reiken tot iets voorbij de staartstuurveren.
De benedendijen zijn tamelijk kort, en gaan grotendeels schuil in het flankgevederte.
De loopbenen zijn tamelijk kort goed uit elkaar staand, glad en fijn geschubd, kleur afhankelijk van de kleurslag. De tenen zijn tamelijk kort en goed gespreid en in dezelfde kleur als de loopbenen.
De nagels zijn goed gebogen en hebben dezelfde kleur als de snavel.
De bevedering is gesloten, goed aanliggend en normaal ontwikkeld. Er zijn geen rijk ontwikkelde sikkelveren vooral bij overjarige dieren. De goede donsontwikkeling op het achterlichaam gaat schuil onder de vleugels.
Het halsbehang is dik, zeer gevuld en uitstaand. De halssierveren zijn lang, breed en bedekken heel de rug. Zij moeten de hals aan de voorzijde zover mogelijk omsluiten en door hun achterwaartse groei in de nek vormen ze als het ware manen, waardoor de hals van terzijde gezien nog dikker toont.
Het zadelbehang is goed ontwikkeld, de overgang naar de staart is goed opvullend. 

Eventuele verschillen tussen haan en hen
Op de secundaire geslachtskenmerken na zijn er bij de hen dezelfde kenmerken als bij de haan behalve:
De baard heeft zelfde vorm als bij de haan, maar iets breder, wat een weelderiger indruk geeft, waardoor de driedeligheid nog meer uitgesproken is.
De rug is kort en breed tussen de schouders.
De vleugels worden bij de hen iets hoger gedragen dan bij de haan.
De staart is kort  en wordt onder een hoek van 45° gedragen. De staart is zeer weinig geopend, ongeveer twee stuurveren breed, in zijaanzicht driehoekig, met een afgeronde top.
De halskraag is zeer vol, gevormd door brede naar achter groeiende goed geronde veren. Door hun achterwaartse groei vormen ze als het ware manen, waardoor de hals van terzijde gezien nog dikker toont. De halskraag vermindert in dikte onderaan de hals. 

Gewicht:
Haan 600-700 Gram
Hen 500-600 Gram

Ringmaat:
Haan: 11 mm

Hen: 9 mm

 

Maak een Gratis Website met JouwWeb